Christelijk Cultuurhuis
Voor iedereen die interesse heeft in het Christendom
Christelijk Cultuurhuis
← Terug naar artikelen

Discipelen en apostelen: wie waren ze en wat deden ze?

11 augustus 2026 · Christelijk Cultuurhuis
Discipelen en apostelen: wie waren ze en wat deden ze?

Het eiland Patmos, Griekenland — hier schreef de apostel Johannes het laatste boek van de Bijbel: het boek Openbaring.

Wat betekent het woord 'discipel'?

Het woord discipel komt van het Latijnse discipulus, wat 'leerling' of 'volgeling' betekent. In het Grieks — de taal van het Nieuwe Testament — heet het mathētēs, wat letterlijk 'iemand die leert' betekent. Een discipel is dus niet zomaar iemand die luistert naar een leraar, maar iemand die zich volledig aan die leraar verbindt: die met hem meegaat, zijn manier van leven overneemt en zijn onderwijs van binnen uit leert kennen.

In de tijd van Jezus was het gebruikelijk dat rabbi's — joodse leraren — een groep discipelen om zich heen verzamelden. De discipelen trokken met hun rabbi mee, aten met hem, sliepen in de buurt en observeerden hoe hij omging met de Schriften, met mensen en met God. Het was een intense, persoonlijke leerschool.

Hoe koos Jezus zijn discipelen?

Jezus koos zijn discipelen op een opvallende manier. Normaal gesproken kozen leerlingen hun eigen rabbi — ze solliciteerden als het ware. Jezus deed het andersom: Híj liep op mensen af en zei: "Volg Mij."

Dat deed Hij bij Simon Petrus en zijn broer Andreas, die aan het vissen waren op het meer van Galilea. "Kom, volg Mij, en Ik zal u vissers van mensen maken" (Matthéüs 4:19). Ze lieten hun netten direct achter. Hetzelfde bij Jakobus en Johannes: ze lieten zelfs hun vader achter in de boot. Later riep Jezus Levi (ook wel Matthéüs genoemd) op terwijl hij als tollenaar aan zijn tafel zat — een beroep dat door veel Joden werd veracht, omdat tollenaars samenwerkten met de Romeinse bezetter.

Wie waren de discipelen?

Jezus had twaalf discipelen die Hij bij Zich hield als vaste kern. Ze waren bepaald geen elite:

  1. Simon Petrus — visser, later de rots waarop Jezus Zijn gemeente zou bouwen.
  2. Andreas — broer van Petrus, ook visser op het meer van Galilea.
  3. Jakobus — visser, zoon van Zebedéus. Jezus noemde hem en zijn broer "Boänerges": zonen van de donder.
  4. Johannes — broer van Jakobus, ook visser. Later schrijver van het evangelie en de brieven die zijn naam dragen.
  5. Filippus — uit Bethsaïda, een kleine vissersplaats aan het meer.
  6. Bartholomeüus (Nathanaël) — ook uit Bethsaïda; bij zijn eerste ontmoeting met Jezus twijfelde hij, maar werd al snel overtuigd.
  7. Thomas — bekend om zijn nuchterheid en zijn twijfel, maar ook om zijn diepe trouw.
  8. Matthéüs (Levi) — tollenaar, belastinginner in dienst van Rome. Verguisd door zijn eigen volk.
  9. Jakobus, de zoon van Alfeuüs — over hem weten we weinig; zijn trouw blijkt al uit zijn aanwezigheid.
  10. Thàddeuüs (Judas, zoon van Jakobus) — ook een stille aanwezigheid in de evangeliën.
  11. Simon de Zelót — waarschijnlijk lid van een beweging die zich verzette tegen de Romeinse bezetter.
  12. Judas Iskariot — de penningmeester van de groep, en later de verrader.

Naast de twaalf vermeldt Lukas een bredere kring van 72 discipelen die Jezus uitzond (Lukas 10). Verder reisde er ook een groep vrouwen met Hem mee: Maria Magdalena, Johanna, Suzanna en anderen, die het werk van Jezus ondersteunden.

Wat deden de discipelen, en hoe leidde Jezus hen op?

De discipelen trokken drie jaar lang met Jezus mee door Galilea, Judea en de omliggende gebieden. Ze luisterden naar Zijn onderricht — de Bergrede, de gelijkenissen, de gesprekken met Farizeeërs en schriftgeleerden — en ze zagen hoe Hij mensen genas, doden opwekte en stormen tot bedaren bracht.

Maar het was niet alleen theorie. Jezus stuurde hen er ook op uit. In Matthéüs 10 zendt Hij de twaalf twee aan twee de dorpen in met gezag om te prediken en te genezen. Jezus stelde hen vragen ("Wie zeggen de mensen dat Ik ben?") en corrigeerde hen wanneer ze het mis hadden — zoals toen Petrus Hem probeerde te weerhouden de weg van het lijden te gaan.

Die drie jaar waren een intensieve leerschool van dichtbij: leven, eten, slapen, reizen en bidden samen met de Zoon van God.

Wat betekent 'apostel'?

Na de opstanding en hemelvaart van Jezus verschijnt er een ander woord: apostel. Dit komt van het Griekse apostolos, wat "gezondene" betekent — iemand die met een opdracht is uitgestuurd. Waar een discipel een leerling is die leert, is een apostel een gezant die wordt gestuurd om te getuigen.

Het onderscheid is belangrijk. Alle apostelen waren (aanvankelijk) discipelen, maar niet alle discipelen werden apostelen in de specifieke betekenis van het woord. Apostelen hadden twee kenmerken die hen onderscheidden: ze hadden de opgestane Jezus persoonlijk gezien, en ze waren door Hem persoonlijk uitgezonden.

Wie waren de apostelen?

De twaalf discipelen werden na de opstanding apostelen — op Judas Iskariot na, die vervangen werd door Matthías (Handelingen 1). Maar ook Paulus noemt zichzelf een apostel, hoewel hij niet tot de oorspronkelijke twaalf behoorde. Hij had de opgestane Christus ontmoet op de weg naar Damascus (Handelingen 9) en was door Hem persoonlijk geroepen om het evangelie naar de niet-Joodse wereld te brengen.

Naast Paulus wordt ook Barnabàs in Handelingen 14 een apostel genoemd, en Jakobus, de broer van Jezus — die tijdens Jezus' leven aanvankelijk niet in Hem geloofde, maar na de opstanding een centrale figuur werd in de gemeente van Jeruzalem.

Wat deden de apostelen?

Na de uitstorting van de Heilige Geest met Pinksteren (Handelingen 2) gingen de apostelen de wereld in. Ze predikten het evangelie, stichtten gemeenten en schreven brieven. Het Nieuwe Testament is volledig van apostolische oorsprong: alle boeken zijn geschreven door apostelen zelf, of door medewerkers die nauw verbonden waren aan een apostel — zoals Lukas (metgezel van Paulus) en Markus (leerling van Petrus). Juist dat apostolische gezag was het doorslaggevende criterium voor de vroege kerk om een boek in de canon op te nemen. Zo is het Nieuwe Testament het getuigenis van hen die Jezus van aangezicht tot aangezicht hebben gekend.

Petrus trok door Klein-Azië en eindigde in Rome. Paulus reisde door het hele Middellandse Zeegebied en richtte gemeenten op in Griekenland, Turkije en Rome. Thomas zou volgens de traditie zijn doorgetrokken tot in India. Johannes schreef op het eiland Patmos het boek Openbaring.

Samen legden zij het fundament waarop de kerk van Christus is gebouwd — en waarvan Jezus zelf de hoeksteen is (Efeziërs 2:20).

De grote opdracht: discipelen maken

Vlak voor Zijn hemelvaart gaf Jezus Zijn volgelingen een opdracht mee die tot op de dag van vandaag van kracht is: "Gaat dan henen, maakt al de volken tot Mijn discipelen, hen dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; en leert hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb" (Matthéüs 28:19–20). Discipelen maken — mensen onderwijzen in de weg van het volgen van Jezus — is niet een optie, maar de kern van de roeping van de kerk.

Dit is ook de missie van het Christelijk Cultuurhuis. Wij willen mensen discipelen: hen meenemen in het verstaan van de Bijbel, in de kennis van wie Jezus is, en in de praktijk van wat het betekent om Hem na te volgen. Niet als toeschouwers, maar als leerlingen — mathētēs — die zich laten vormen naar het beeld van hun Meester.

Benieuwd naar onze komende activiteiten? Bekijk de agenda of kom gezellig langs op een inloopmiddag in Eerbeek.

Christelijk Cultuurhuis
Voor iedereen die interesse heeft in het Christendom
Elke woensdagmiddag een open inloop in Eerbeek — met koffie, goede gesprekken, muziek en activiteiten voor jong en oud.
Menu
Onze pijlers
Bezoek & contact
Händelstraat 49, 6961 AB Eerbeek (kantine Last Gear)
Postadres: Doonweg 10, Eerbeek
Elke woensdag 13:00 – 17:00 uur